Wie zit er achter dit portret?

16 september 2026

In de ontmoetingsruimte hangt een levensgroot portret van iemand die als kardinaal gekleed is. Het schilderij is een aantal jaar geleden gerestaureerd door de Bredase kunstenaar Zoran Arizanovic. Maar wie staat er precies afgebeeld? Daan Schlüter zocht het uit.

Joannes Henricus van Frankenberg werd geboren op 18 september 1726 in Groß-Glogau in Silezië, wat toen in Oostenrijk lag. Hij kwam uit een adelijke familie die vanouds trouw was aan het huis Habsburg. Al van jongs af aan had Frankenberg de wens om priester te worden. Hij werd door de jezuïeten opgeleid in zijn geboortestad Breslau en op het Collegium Germanicum et Hungaricum in Rome. Op 10 augustus 1749 werd hij tot priester gewijd. Onder bescherming van keizerin Maria Theresia bekleedde hij diverse kerkelijke functies in onder andere Görz en Praag, totdat hij tot aartsbisschop van mechelen en primaat der Nederlanden werd benoemd. In 1765 kende de keizerin hem het Grootkruis van de Orde van de Heilige Stefanus toe, dat op het portret te zien is. Op 1 juni 1778 werd Frankenberg door paus Pius VI tot kardinaal verheven.

Ballingschap
Met de troonsbestijging van de ‘verlichte’ keizer Jozef II in 1765 begon een moeilijke tijd voor Frankenberg. De keizer voerde hervormingen door, onder andere de invoering van het burgerlijk huwelijk voorgaand aan het kerkelijke huwelijk. Frankenberg verdedigde de kerk tegen deze hervormingen. De Franse Revolutie (1789-1799) bracht nieuwe beproevingen. Men wilde ‘afrekenen’ met de invloed van de kerk. Frankenberg weigerde in 1797 echter de zogenoemde ‘eed van haat aan het koningschap’ af te leggen. Daarom werd hij op 20 oktober 1797 van zijn bed gelicht, naar Kevelaer gebracht en daar aan zijn lot overgelaten. Hij kwam terecht in Emmerik, waar hij woonde tot aan de Pruisische annexatie van Emmerik in 1801. Daarna vestigde hij zich in Borken. Als gevolg van het concordaat van 1801 werd hij gevraagd om afstand te doen van zijn ambt als aartsbisschop, waar hij aan voldeed.

Breda
In 1802 annexeerde Pruisen ook Borken, waardoor Frankenberg de stad moest verlaten. Hij ging wonen in Breda, in het huis ‘De Sevensterre’ aan de Grote Markt. In de toenmalige vicariaten Breda, Bergen op Zoom en Roosendaal diende hij het vormsel toe. Vanwege zijn vriendelijkheid, dienstbaarheid en eenvoud werd Frankenberg in Breda de ‘heilige kardinaal’ genoemd. Op 8 juni 1804 werd de kardinaal onwel tijdens het lof in de schuilkerk aan Nieuwstraat. Hij overleed drie dagen later en werd begraven voor het hoogaltaar in de Sint-Bavokerk in Rijsbergen. Op verzoek van het aartsbisdom Mechelen werd in 1923 zijn stoffelijk overschot, op zijn linker opperarmbeen na, naar de crypte van de Sint-Romboutskathedraal overgeplaatst.

Andere berichten